Amigoe

gewoon veel RSS nieuws

Vier romandebuten die je bijblijven

Het lezen van debuutromans is altijd spannend omdat het mogelijk is dat je een nieuwe stem ontdekt, een geluid dat je nog niet eerder hoorde. De enige vragen die er hierbij toe doen, zijn de volgende: is de nieuwe stem origineel, verrassend, afwijkend? Is het een stem die je vaker wilt horen? Het verhaal doet er minder toe, als de vertelstem je raakt is het debuut geslaagd. Vier schrijvers vielen op en schreven een roman die beklijft.

Lees verder na de advertentie

Herien Wensink
Kleihuid
Arbeiderspers; 288 blz.
€ 19,99 (verschijnt 15/1)

Tekst gaat verder onder de afbeelding 

© uitgeverij

Opmerkelijk: een vrouw die een boek schrijft over een misschien wel typisch mannenonderwerp, oftewel Herien Wensink debuteert met de roman Kleihuid over de Eerste Wereldoorlog. Dé grote roman over die periode is natuurlijk Erich Remarque’s ‘Im Westen nichts Neues’, maar ook in ons taalgebied verscheen er inmiddels van alles, zoals Stefan Hertmans veelgeprezen ‘Oorlog en Terpentijn’ en ‘Post voor mevrouw Bromley’ van Stefan Brijs.

De Nederlandse literatuur bleef altijd achter bij de Vlaamse als het om die ‘Grote oorlog’ ging, die we immers ook niet aan den lijve hadden meegemaakt. Onze ‘favoriete’ oorlog was de Tweede Wereldoorlog maar nu, honderd jaar na het eind van WO I, kon een roman over 1914-1918 niet uitblijven. Wensink, die al eerder over de Eerste Wereldoorlog publiceerde in de NRC, heeft er een pakkend verhaal van gemaakt.

Ongeschonden maar getraumatiseerd


De Engelse aristocratische beeldhouwer Rupert Atkins, fysiek ongeschonden maar getraumatiseerd door de oorlog, komt aan in een Vlaams ziekenhuis achter het front en wordt in de kamer gestationeerd bij de boerenjongen Harvey Cole, wiens gezicht zwaar verminkt is geraakt bij een granaataanval. De estheet Atkins kan de verminkingen om hem heen, en trouwens ook het niveau van al die boerenkinkels, aanvankelijk nauwelijks verdragen, maar went gaandeweg aan Harvey met wie hij zelfs een mooie band opbouwt. Zelf is hij een ander soort oorlogsslachtoffer, allerlei nondescripte gebeurtenissen die de lezer trouwens ook niet helemaal duidelijk worden, maken dat hij ’s nachts schreeuwend wakker wordt en soms tot onverklaarbare agressie vervalt. Een vroeg voorbeeld van PTSS, op wie de ziekenhuisarts zijn eerste proeve van Freudiaans denken, dat begin twintigste eeuw nog in de kinderschoenen stond, uitprobeert. Harvey daarentegen is, ondanks zijn gehavende kop, het voorbeeld van een positieve held, iemand die erin blijft geloven en die een mooie band opbouwt met de zorgzame Cécile, een verpleegster die bij tijd en wijle ook zijn seksuele behoeftes bevredigt.

Zelfs de retoriek uit andere oorlogsboeken schuwt ze niet

‘Kleihuid’ is een boek over vriendschap en doorzettingsvermogen, dwars door oorlogsverschrikkingen heen, precies wat je van een positieve oorlogsroman verwacht. Erg subtiel zit het verhaal niet in elkaar. Wensink heeft de neiging de zaken tamelijk zwart-wit tegenover elkaar te zetten, de estheet met zijn bewondering voor de Venus van Milo, die geconfronteerd wordt met een monsterlijk verminkte man, het contrast kan haast niet groter. Ook de symboliek ligt er dik bovenop, beeldhouwer Atkins, in de weer met klei, is de tegenpool van de uit de klei getrokken Harvey, wiens lichaam als het ware ook weer in het slijk geplant is. Zelfs de retoriek uit andere oorlogsboeken schuwt ze niet, met uitdrukkingen als ‘Teutoons gebulder’, een ‘nieuw blik groentjes’ gesneuvelden met ‘een tuintje op hun buik’.


Geen modale oorlogsroman 


Toch is dit geen modale oorlogsroman, want Wensink heeft de psychologie van haar hoofdpersonen buitengewoon goed getroffen. Zo leeft ze zich helemaal in in het optimistische wrak Harvey, wiens verminkingen en pijn helemaal van binnenuit zijn beschreven, zozeer dat het haast voelbaar wordt. Maar vooral excelleert ze in de psyche van de aristocratische Atkins en zijn moeite om met gebrekkigheid om te gaan.

Neem bijvoorbeeld deze passage, als de twee in een Vlaamse kroeg worden lasttiggevallen: “Waarom was een invalide toch zo’n aanval op je identiteit – zozeer dat je er zelfs op los zou kunnen slaan? Nog altijd geneerde Ruper zich voor die keer dat een gebochelde, manke heer naast hem kwam zitten in de halflege Londense tram, zijn hazenlip hunkerend naar een praatje en hij, onzinnige smoezen mompelend, snel een andere plaats had gezocht. Het was de confrontatie met zijn eigen onmacht: het onvermogen om te gaan met imperfectie. Die worsteling was zo ongemakkelijk dat het aantrekkelijker leek het schuldgevoel geheel en al uit te bannen. Maar er was nog iets. Hij keek naar Harvey (…). Al in de eerste paar seconden van een ontmoeting met iemand als hij, voelde je tot in je vezels dat je tekort zou schieten. Het was dat schuldgevoel dat woedend maakte. Schuldgevoel dat niet het gevolg was van wangedrag, maar de oorzaak.”

‘Kleihuid’ is tegelijk een potig en een psychologisch oorlogsboek, waarin Wensink laat zien dat ze de kunst beheerst om zowel oorlogssituaties als -slachtoffers raak te beschrijven. (RS)

Lenny Peeters
Dochter
Prometheus; 224 blz.
€ 19,99

Tekst gaat verder onder de afbeelding 


© uitgeverij

Verhalenwedstrijden


Lenny Peeters is een Vlaamse schrijfster die boven kwam drijven na het winnen van een aantal verhalenwedstrijden. In haar debuutroman Dochter vraagt ze wel wat van de lezer: je moet er maar zin in hebben, in het hoofd kruipen van een zwakbegaafd meisje met een verstoord moreel besef. Peeters zet in de eerste pagina’s mooi neer hoe het kind denkt, als haar vader klaagt dat zijn ogen zo hard achteruitgaan. “Ik zie er niets mis aan. Ogen kunnen ook alleen maar achteruit als je er heel hard op drukt. Of als je ze uit je gezicht steekt en wegrolt.”

Hoe weet de dokter van vaders plan om vanuit de hemel naar ons te zwaaien?

Het voorbeeld maakt mooi duidelijk hoe het kind alles letterlijk neemt en tegelijk wreedheid niet als zodanig herkent. Ze woont bij haar vader op een verwaarloosde boerderij, ze ‘verzorgt’ cavia’s door wattenstaafjes en kruiden in hun achterwerk te steken en wordt zelf misbruikt door haar buurjongen. En het wordt allemaal nog veel erger. Dochter (het kind heeft in het boek geen naam) ondergaat alles vrij wezenloos. Peeters levert echter een knappe prestatie door consequent vanuit de gedachtenwereld van dit meisje te schrijven. Als het meisje haar vader dood aantreft onder de eik in de tuin begrijpt ze ook niet wat er aan de hand is, en als de dokter haar vertelt dat ze haar vader binnenkort vanuit de hemel kan zien zwaaien, denkt ze: “Hoe weet de dokter van vaders plan om vanuit de hemel naar ons te zwaaien? Was het een verrassing voor mijn verjaardag en heeft hij zich versproken?” 


Alleen maar suggereert


Je herkent de verhalenschrijfster in de manier waarop Peeters de gebeurtenissen vaak alleen maar suggereert, je ziet snippers en construeert zelf het geheel. Omdat het hoofdpersonage zich niet ontwikkelt – ze heeft die stoornis nu eenmaal – moet een luguber crescendo van narigheid dit boek tot een roman laten uitgroeien. Dat lukt niet helemaal. Eigenlijk weet je al snel genoeg. Te veel zelfs. Het is de vertelstem die het boek redt. Peeters’ stijl nagelt je vast aan je stoel. (GvdW)

Persis Bekkering
Een Heldenleven
Prometheus; 248 blz.
€ 19,99

Tekst gaat verder onder de afbeelding 


© uitgeverij

Of een groot publiek warm zal lopen voor Een heldenleven van Volkskrant-recensente Persis Bekkering is de vraag. Het verhaal neemt ons mee naar de wereld van de klassieke muziek en de hedendaagse kunst. Ik vind het een verademing als een romancier op een originele, intelligente manier over klassieke muziek schrijft, maar tegelijk ging mijn snob-alarm af bij de openingszin: “Als een warme zandstorm verspreidde de muziek zich door het hotel. Vioolmuziek, maar niet van het kaliber ‘Schindler’s List’.”

Dat we het maar weten: de muziek van ‘Schindler’s List’ is natuurlijk sentimentele rommel, daar praten we verder niet over. De personages heten Igor Goldschmeding, Adrian Zeitblom en Kiriko Meertens. Zelf ken ik ook best mensen met bijzondere namen waarin nationaliteiten door elkaar gemixt zijn, maar in een roman is zoiets toch een statement. Bekkering schept mij iets te veel genoegen in het etaleren van kennis en goede smaak in een elitaire omgeving. Het boek is overladen met verwijzingen en intertekstualiteit. Talloze schrijvers, componisten en kunstenaars passeren de revue, soms met nadruk, soms terloops zoals hier Nescio: “Wie wordt er nu geraakt door Ein Heldenleben? Dat is zoiets als de Sarphatistraat de mooiste straat van Amsterdam vinden”.


Spitsvondigheid


Leuk, maar ik werd ook een beetje moe van alle spitsvondigheid. Gelukkig maakt Bekkering wel helder wat er voor haar op het spel staat: wat betekent het om je volledig uit te leveren aan de kunst? Dat is de prangende vraag die centraal staat in het boek. Het verhaal is eenvoudig. Igor is een begenadigd violist, tevens meesterkok, straatfotograaf en adviseur van alle grote dirigenten. Het lijkt hem allemaal geen moeite te kosten.

Zijn muziekvriend Adrian confronteert hem met de leegheid van zijn perfecte spel en de jonge kunstenares Kiriko brengt hem uit balans met haar radicale ernst. Bekkerings interesse ligt echter helemaal niet zo bij deze Igor. Niet het rimpelloze heldenleven boeit, maar het gemankeerde leven waarin driftig en wanhopig wordt gestreefd naar heldendom – of in ieder geval naar de verwezenlijking van iets Groots.

Ik ben een ne­gen­tig-pro­cent­mens geworden

Adrian en Kiriko kennen elkaar niet, maar beide komen gedurende een kort en beslissend moment in hun leven in contact met Igor. Ze willen iets bij Igor teweegbrengen, maar het resultaat is dat zij zelf uit het lood raken, zich uitgehold en bestolen voelen. “Ik ben een negentig-procentmens geworden” constateert Adrian als Igor zijn baantje bij het orkest heeft overgenomen.


Rand van de afgrond


Ik las ‘Een heldenleven’ (de titel verwijst naar een orkestwerk van Richard Strauss) uiteindelijk als een Werdegang van twee begaafde kunstenaars die geconfronteerd met de perfectie in de persoon van Igor, zichzelf naar de rand van de afgrond brengen. Of die lezing juist is durf ik niet te zeggen, maar dat Bekkering ons iets wil vertellen over het wezen van de kunst en de muziek en haar serieuze beoefenaars is duidelijk – niet iets eenvoudigs of eenduidigs, maar zeker intrigerend. (GvdW)

Sien Volders
Noord
Hollands Diep; 240 blz.
€ 19,99

Tekst gaat verder onder de afbeelding 


© uitgeverij

In Noord van Sien Volders – een Vlaamse – reist zilversmid Sarah naar het noorden van Canada. Recent succes in haar werk dwingt haar tot een ingrijpende keuze. Ze vlucht tijdelijk weg uit Vancouver en vestigt zich een tijdje in het gehucht Forty Mile, ergens langs de Yukon-rivier. Sarah ontmoet er de muzikale broers Adam en Jacob en de oudere Mary, de eigenares van de enige winkel in het dorp. Het worden al snel (misschien iets te snel) vrienden en geestverwanten. Ze danst op de wilde volksmuziek in de kroeg, ze logeert bij Mary, ze gaat mee op een kanotocht naar het noorden, ze krijgt een relatie met de violist Adam.

Wat het ook is dat hier gebeurt, het is wat ze nodig had


Geen verrassing 


Dat de woeste natuur een hoofdrol speelt in dit boek zal geen verrassing zijn, maar het gaat om de uitwerking van de natuur en het klimaat op de bewoners. Het Noorden verschrompelt de ambitie die je in de moderne stad soms kan uitputten. Het Noorden dwingt de mens in een ander ritme. In de lange winters moet je overleven, in de zomer het leven vieren. Dat bij zowel het eerste als het laatste de drank je vriend kan zijn, maar ook je grootste vijand, ondervindt Adam aan den lijve. Behalve oermensen als de mysterieuze jager Walker die af en toe opduikt, heeft eigenlijk geen mens hier iets te zoeken. Sarah moet tenslotte niet alleen in haar carrière maar ook in de liefde een keuze maken. Volders hanteert een wonderlijk kalme toon in een kabbelend tempo, bij vlagen op het oubollige af: “De geur van diesel, sigaretten, bier, de muskusgeur van ongewassen mannen en de modder aan hun schoenen. Wat het ook is dat hier gebeurt, het is wat ze nodig had”.

De Libelle-romantiek ligt wel heel dicht op de loer, maar het doet in het boek allemaal zo authentiek aan dat het niet stoort. Integendeel, de eenvoud van de ideeën, de heldere toon en aangename vanzelfsprekendheid vormen juist de attracties van deze roman. De warmte in dit boek vol sneeuw en ijs kon wel eens een groot publiek aanspreken. (GvdW) 


Lees ook:


Nino Haratischiwili’s ‘Het achtste leven (voor Brilka)’ is door Trouw- lezers gekozen tot beste boek van 2017